free website templates

© Copyright 2020 Piek - All Rights Reserved

Berg op

De rugzak plakt op mijn rug. Ik voel het zweet kriebelen en plakken. Zweet zou verkoeling moeten brengen maar het is heet en vies. Bij iedere stap knarsen de stenen onder mijn gympen. Stof stuift op. Kiezels rollen naar beneden. Mijn poriën raken verstopt. Als ik het zweet en stof probeer af te vegen, smeer ik het dieper in. Ik kijk alleen nog naar de grond. Ik moet opletten waar ik mijn voeten zet en ik wil de brandende zon uit mijn ogen houden. Bij iedere stap moet ik mijn eigen gewicht omhoog brengen. Mijn benen branden. Mijn voeten doen pijn. Ik zoek een steen die stevig geneog in de aarde zit om mij te kunnen houden als ik nog hoger klim. Soms schiet een steen weg en spannen, in een reflex, al mijn spieren zich aan om niet te vallen. Ik probeer mijn handen niet te gebruiken bij het klimmen. Ik wil mijn handen beschikbaar houden voor als het echt nodig is. Ik wilde ze schoon houden maar dat is niet gelukt. Takken en planten schaven mijn kuiten en schenen. De brandende pijn wordt erger als er zweet langs kruipt. Soms voel ik een venijnige prik. Ik weet dat het een of ander insect moet zijn maar ik ben nooit snel genoeg om het te zien. Het jeukt, schrijnt en brandt overal. De pijn helpt bij het vergeten van de reden van de hachelijke wandeling. Maar niet genoeg. Eenzaamheid terwijl ik nooit alleen ben. Afkeuring terwijl niemand me ziet. Een doorn bijt zich vast in mijn dij. Een dode tak gutst een snee in mijn bovenbeen. Druppeltjes bloed persen zich naar de oppervlakte. Mijn voet glijdt weg met losse stenen. Ik vang mezelf op op mijn knie. Ik moet laten weten dat ik besta. Dat ik ook wensen heb. Aandacht. Liefde. Mijn knie is geschaafd. Zal ook wel blauw worden maar niet vandaag. Niet nu. Het pad dat ik volg is geen pad maar een stenenstroom gevormd door de overvloedige regenbuien die hier in een ander seizoen zijn. De stenen willen omlaag. Ik wil omhoog. Ik wil zo hoog mogelijk. Hoe hoger ik kom hoe minder stenen en hoe minder pad. Struiken overwoekeren de stenen. Meer schrammen meer insecten. Meer wonden en meer bloed. Mijn vermoeidheid wordt groter. Ik moet steeds vaker stoppen en uitrusten. Op deze hoogte kan ik al bijna geen schaduw meer vinden en uitrusten is dus heet. Eerst waren er nog bomen. Toen af en toe een boom. Ik hoor mijn hartslag echoen in de buitenlucht. Eerst klinkt het als een gebonk van een of ander roofdier. Pas als ik probeer te luisteren uit welke richting het geluid komt, voel ik dat ik de bron ben. Mijn hartslag is overal. Ik voel mijn voeten kloppen en mijn vingers. Mijn hoofd bonkt en mijn ribbenkast ook.
Is liefde te koop? Hoe kom ik aan intimiteit als mijn intimi het niet geven? Een aanraking. Een arm on mijn lijf. Een aai over mijn wang. Iemand die me aankijkt en probeert me te zien. Hoezeer ik mezelf ook probeer te verstoppen.
Hoe hoger ik kom hoe lager de begroeiing. Alleen mijn enkels schaven nu. De zon brandt onverbiddelijk op mijn hoofd, schouders en nek. Altijd maar die stomme gympen. De kiezels prikken door mijn zolen. Ik glij steeds vaker weg.
Het leek veel of in ieder geval genoeg. Een halve liter water. Bijna op. Ik wil het niet opmaken. De laatste druppel voor het laatste moment.
Het zijn geen insecten meer maar kleine vogels die me pikken en aanvallen. Ik bloed meer dan eerst. De pijn zit diep. Ratten rennen met me mee om te vangen wat ik laat vallen. Maar ik laat niks vallen. Ik heb niks. Ik ben niks. Ze bijten naar mijn kuiten. Het lijkt alsof de vogeltjes een nest in mijn haar willen maken. Ze vliegen af en aan. Ze pikken en trekken en ondertussen schop ik de kleine dieren weg bij mijn benen. Ze kruipen steeds meer omhoog. Ik klim verder. Zweet druppelt in mijn ogen. Mijn mond is droog. Zand knarst tussen mijn tanden. De rugzak wordt steeds zwaarder. Nu probeert een kraai mijn ogen uitte pikken. Ik maai met mijn armen en blijf doorgaan. De ene voet voor de andere. Ik loop nu op handen en voeten. Stenen zoeken die niet wegglijden. Soms glij ik een halve meter terug maar ik moet vooruit. Uit de lage planten loert een slang. Ik zie hem op tijd maar hij heeft me toch beet in mijn knieholte. Terwijl zijn tanden in mijn vlees zinken kronkelt zijn lijf om mijn voet. Ik schreeuw het uit. Ik kom omhoog, stamp en probeer te rennen. Onmogelijk. Hitte, stenen. Ik voel hoe het gevoel uit mijn been verdwijnt. Ik word licht in mijn hoofd. Ondanks de waas en de suis lijkt het alsof ik helderder waarneem dan ooit. Ik ben alleen. Verder weg van iedereen. Alleen en eindelijk niet meer eenzaam. Niemand die me mist. Niemand weet waar ik ben. Ik ben alleen en nog nooit eerder wist ik zo goed als nu wat ik wil. Ik moet de top halen. Ik moet hoger. Verder. Dieper.
Ik word van allen kanten aangevallen. Ik ga door. Niemand en niks kan me raken. Ik kruip omhoog en ik stop nooit meer.